De meelfabriek


De molen van Höcker, een molen zonder wieken

De Glip en de molen van Höcker horen bij elkaar. Eigenlijk heet de 250 jaar oude molen De Nachtegaal, maar die naam wordt door bijna niemand gebruikt. En sinds hij in 1936 van zijn wieken is ontdaan, wordt hij ook wel De Peperbus genoemd. De overgebleven stenen romp is een rijksmonument en bepaalt tot op de dag van vandaag het straatbeeld aan de Glipperweg.

door Ellen Kerkvliet  (uit Heerlijkheden Jaargang 39 – herfst 2012- nummer 154)

Al voor de bouw van De Nachtegaal had Heemstede een eigen korenmolen, waar de inwoners hun graan lieten malen. Die molen, gebouwd in 1535, stond op de molenwerf aan het Spaarne, vlak bij het Huis te Heemstede. De eerste molenaar was ene Gerrit Jansz., hij betaalde drie Carolusguldens (de toenmalige munteenheid) per jaar aan de heer van Heemstede voor het gebruik van wind. Tot het einde van de 18de eeuw was bepaald dat een landheer eigenaar van de wind was. Alleen hij was gerechtigd een molen te laten draaien en zo het recht van de wind te gebruiken. Dit recht werd tegen gunsten en diensten ook wel beleend. Molenaars konden het recht pachten tegen betaling van een jaarlijks bedrag, het zogenaamde windgeld. In 1798 werden de ‘heerlijke rechten’ afgeschaft, en daarmee ook het windrecht.

Tijdens het Beleg van Haarlem in 1572 werd de molen verwoest en het duurde tot 1596 voor er op de molenwerf een nieuwe molen kwam. Niet lang daarna raakte de molen in verval. Door de steeds hogere bomen rondom vingen de wieken te weinig wind, waardoor de molenaar zijn verplichtingen niet meer kon nakomen. In 1617 moest de molenwerf op bevel van de gemeente worden ontruimd. Een andere molen in de buurt was er niet, zodat de Heemstedenaren met hun graan helemaal naar Hillegom moesten om het daar te laten malen. Die situatie heeft jaren geduurd, tot Heemstede in 1651 eindelijk een nieuwe korenmolen kreeg.

page8image3185548032
De Nachte­gaal op een schilderij van de Heemsteedse schil­ der Willem Vester (1824-­1871).

De eerste Nachtegaal
Het was Cornelis Pietersz. van der Kade, molenaar te Rijnsaterswoude, die aan de Princelaan (later Glipperweg) in De Glip een nieuwe, houten koren- en grutmolen wilde neerzetten. Op 6 januari 1651 diende hij daartoe een schriftelijk verzoek in bij de heer van Heemstede. We lezen daarin: ‘Opt verzoeck van Cornelis Pietersz, tegenwoordigh molenaer tot Rijnsaterwoude aen de weled. Heer van Heemstede gedaen, omme tot Heemstede ter beste ende bequame plaats te stellen een goede wint koren- en grut molen, ten dienste van alle goede ingesetenen deser Heerlicheijt… .’

Om verzekerd te zijn van inkomsten liet hij in datzelfde schrijven de inwoners van Heemstede beloven, hun graan uitsluitend bij hem te laten malen. Dat deden de Heemstedenaren door het zetten van hun naam of het tekenen van een kruisje onder het rekest. ‘… Belooft ende beloven bij dese ondergeteijckende acte geen graen koren of saet elders te sullen doen malen ofte ter molen doen brengen om tot meel gemalen ofte tot gort gegrut te worden als opde molen bij den meer genoemden Corn Pietersz tot Heemstede… .’

Binnen twee weken gaf Adriaan Pauw schriftelijk zijn toestemming en kon de molen, een houten standerdmolen, gebouwd worden. Het bedrijf bleek niet rendabel. De molenaar moest jaarlijks zes gulden windrecht betalen en al het koren dat de heer nodig had gratis voor hem malen. Bovendien had hij voor het bouwen van de molen geld geleend bij de heer van Heemstede. In de jaren die volgden ging de molen verschillende keren in andere handen over. De meeste van deze molenaars raakten, net als Van der Kade, door de hoge kosten en hypotheeklasten in de financiële problemen.

De tweede Nachtegaal
In 1705 werd De Nachtegaal voor f. 10.010,50 gekocht door Cornelis Breek, die ook een molen had in Hillegom. Het ging deze molenaar blijkbaar wel voor de wind, want vijftien jaar later vroeg hij aan de heer van Heemstede toestemming tot het bouwen van een nieuwe stenen molen. Hij schrijft: ‘Geeft reverentelijk te kennen Cornelis Breek koornmolenaar aan de Glip onder de Heerlijkheijd Heemstede dat hij suppliant voornemens is, omme in plaats van zijn oude koornmole, Een nieuwe steene molen te doen bouwen, die hij suppliant wel gaarne zoude doen zetten in zijn tuijn, het middelpunt ofte den as, binnen zijn suppliantes uiterste gront, ofte ter distantie van de Heemsteder Binnenweg sestig voeten Amsterdamse maat, zullende als dan de roede op t minste binnen zijn Erft nog draaijen sewventien Amsterdamse voeten.’ (Een Amsterdamse voet is 0,2831 meter.)

page10image3227479712
Het was vroe­ger de gewoonte om de naam van een molen niet alleen met letters, maar ook met een afbeelding aan te duiden. Zo wisten ook mensen die niet konden lezen om welke mo­len het ging. Dit nachtegaaltje van Bentheimer zand­ steen is bewaard gebleven en siert nu de garage van het woonhuis naast de molen.

Agneta Sylvius, weduwe van Benjamin Pauw en vruchtgebruikster van de heerlijkheid Heemstede, ging akkoord waarna Breek in 1761 de tweede Nachtegaal, een stenen stellingmolen, liet bouwen. Na zijn overlijden zette zijn zoon Pieter Breek het bedrijf voort, daarna volgden nog enkele andere molenaars.

Een standerdmolen is het oudste type windmolen in Noordwest Europa, de eerste zijn rond 1100 gebouwd. De molen ontleent zijn naam aan de zware verticale houten spil, de standerd of standaard, waarop het rechthoekige molenhuis, de kast, rust. Door het draaien van het molenhuis, het kruien, kon de molenaar de wieken gunstig op de wind zetten. Een stellingmolen is een hoge windmolen met een stelling of omloop, vanaf waar het wiekenkruis gedraaid kan worden. Door de hoogte vangen de wieken veel meer wind.

Van windkracht naar stoom en elektriciteit
In 1869 werd De Nachtegaal gekocht door Hendrik Herman Höcker. Zijn voorouders waren handelsreizigers en parlevinkers en kwamen oorspronkelijk uit Noord-Duitsland. Höcker werkte in die tijd als bakkersknecht in de bakkerij van zijn vader in de Haarlemse Grote Houtstraat, maar zag meer toekomst in het vak van molenaar. De nieuwe molenaar hield er zeer vooruitstrevende ideeën op na. Om niet langer afhankelijk te zijn van de wind liet hij in 1883 de molen ombouwen tot een maalderij die ook door stoom kon worden aangedreven. Aan de kant van de Glipperweg werd tegen de molen een ketelhuis gebouwd. Het gebruik maken van stoomkracht bleek een goede beslissing, want zodra de wind het liet afweten nam de stoommachine het werk over, de molenstenen maalden onafgebroken en het bedrijf bloeide als nooit tevoren.

In 1910 liet Höcker aan de Glipperweg een directeurswoning bouwen. In 1914 volgde opnieuw een grote investering. Stoomkracht was al weer achterhaald, elektriciteit was de nieuwe vorm van energie geworden. Daarom liet Antoon Höcker, die zijn vader inmiddels was opgevolgd, achter de molen een elektrische meelfabriek neerzetten. De verbouwing werd uitgevoerd door de gebroeders Van der Putten uit Heemstede en kostte destijds ruim 31.000 gulden. De eerste steen in de gevel van de meelfabriek, gelegd op 24 februari 1914. door zijn anderhalfjarig zoontje H.H. Höcker, is hieraan nu nog steeds een herinnering.